KLEDERDRACHT

De Scheveningse klederdracht kent een betrekkelijk lange traditie. Reeds in het midden van de 17de eeuw treft men een schriftelijke vermelding aan van een ‘silver haerijser’. Deze hoofdtooi blijkt haar naam niet te hebben verloren, daar men te Scheveningen nog steeds spreekt van een ‘íjzer’ wanneer het gaat om de hoofdbedekking van een klederdrachtdragende Scheveningse vrouw.

Het dragen van klederdracht raakte voor jonge vrouwen na de Tweede Wereldoorlog uit de mode; daarnaast gingen oudere klederdrachtdragende vrouwen steeds meer over op de algemene dames- of burgerkleding. Sindsdien kwamen er plaatselijk aan de onderzijde geen klederdrachtdragende vrouwen meer bij en vielen aan de bovenzijde meer en meer vrouwen af, hetzij door overlijden hetzij door een overschakeling op de – plaatselijk zo genoemde – burgerkleding.

Alhoewel ook de Scheveningse mannen ooit een vorm van klederdracht kenden, is deze niet in dit artikel betrokken aangezien deze al aan het begin van de 20ste eeuw uit het straatbeeld verdween.

Alhoewel de klederdracht in grote lijnen dezelfde is gebleven, valt toch een onderscheid waar te nemen tussen een werkdracht, een daagse of doordeweekse dracht en een zondagsdracht. Hierbij dient het volgende te worden aangetekend. Aangezien de betrokken vrouwen intussen bejaard tot hoog bejaard zijn en het werken niet meer tot hun dagelijkse bezigheden behoort, is de genoemde werkdracht inmiddels verdwenen.

De specifieke delen van de klederdracht van een Scheveningse vrouw zijn: de onderrok, de bovenrok, het schort, het jak(je), de (omslag)doek, de schoudermantel en het hoofdijzer. Bij de kleding worden zwarte schoenen en zwarte kousen of panties gedragen. Bij de toenmalige werkkleding waren de omslagdoek, de schoudermantel en het hoofdijzer in de meeste gevallen niet aan de orde. De werkkleding werd voornamelijk binnenshuis of rond het huis gedragen, reden waarom de zojuist gemelde kledingstukken niet nodig waren. Een uitzondering daarop vormden de boetsters, vrouwen die ooit de haringnetten repareerden.

Een speciale vermelding verdient de rouwdracht; deze heeft geen andere samenstelling voor wat betreft de gangbare kledingstukken, maar ze wijkt af door de algeheel gehanteerde kleur zwart. Het laatste met uitzondering van de muts van het hoofdijzer die wit blijft.

De bovenrok reikt tot op de schoenen en ze is zwart. Aan de onderzijde is ze afgezoomd met een band dat bezemband wordt genoemd vanwege zijn structuur en aanzien. In principe bestaat er geen verschil tussen het aanzien van een doordeweekse en een zondagse bovenrok; hoogstens geven de gebruikte stoffen een verschil aan. Onder de bovenrok wordt een witte onderrok gedragen; deze heeft bijna de lengte van de bovenrok. Een onderrok heeft aan de onderzijde een zogeheten feston – een sierrand – als afwerking. Zondagse en doordeweekse onderrokken wijken onderling niet af.

Het schort heeft niet de functie zoals men deze in algemene zin kent. Het is zuiver aan te merken als een kledingstuk. Een schort wordt altijd gedragen over de reeds genoemde bovenrok. Het doordeweekse schort wijkt af van het zondagse; het eerste heeft een blauw of blauwgrijs streepjespatroon terwijl het zondagse schort glanzend zwart is. Het zondagse schort is aan de beide verticale zijden afgebiesd met een smalle witte strook.

Het jak(je) komt overeen met een nauwsluitende, kraagloze bloes met een ronde hals.De lange mouwen zijn smal toelopend en nauwsluitend aan de pols. Voor de toenmalige werkdracht kende men een jak met een korte mouw; de blauwgrijzige stof die voor deze werkkleding werd gebruikt was ‘zusterlinnen’ geheten.

In de daagse, en met name de zondagse, jakjes komen voor het eerst kleuren naar voren. Deze zijn in het algemeen pastel en niet schreeuwend van opmaak. Bij een rouwdracht is het jakje zwart. Meer bemiddelde vrouwen droegen soms een jakje van gebloemde stof, dat ‘baskerlijf’ werd genoemd.

De omslagdoek, kortweg de doek genaamd, is vierkant van vorm met zijden die een lengte en een breedte hebben van omstreeks 1,20 meter. Deze zijden zijn alle afgebiesd met een franje. Ook bij de doeken zijn de kleuren pastel en veelal in harmonie met de kleuren van de jakjes. Een doek wordt tot een driehoek gevouwen en vervolgens om de schouders gedrapeerd en ingespeld volgens traditionele, vaste regels. Bij rouw is de doek zwart.

De schoudermantel – plaatselijk ‘schoermantel’ geheten – komt overeen met een mouwloze cape. Ze is cirkelvormig van model. In de mantel is een ronde hals uitgespaard; de beide uiteinden van het halsgedeelte zijn respectievelijk voorzien van een haak en een oog zodat de mantel (uitsluitend) aan de hals wordt gesloten. Een dergelijke mantel wordt zowel door haar eigen zwaarte als door de armen van de draagster op haar plaats gehouden. Ook hier zijn de reeds genoemde pasteltinten aan de orde, vooral aangepast aan en in harmonie met de kleuren van het jakje en de doek. In geval van rouw is de kleur zwart. Men treft bij een schoudermantel aan de achterzijde van het halsgedeelte een harde rechtopstaande kraag aan.

Het hoofdijzer komt overeen met een zilveren beugel die om het hoofd klemt. Aan de voorzijde ervan zitten gouden sierknoppen die ‘boeken’ worden genoemd. In tegenstelling tot wat men verwacht, gaat het bij een hoofdijzer niet om een aangepast element, maar om een mate van confectie. Over dit hoofdijzer wordt een witte muts gespannen die, afhankelijk van de situatie, van een verschillende soort textiel is vervaardigd. De doordeweekse muts is van een fijnere effen witte stof. In geval van rouw wordt een muts gedragen van een dikkere witte stof.

De zondagse muts is vervaardigd van wit kant met fraai ingewerkte patronen als bloemen en dergelijke. Vaak wordt voor dergelijke mutsen de naam ‘blonde muts’ gehanteerd waarbij wordt gesteld dat ‘blonde’ een verbastering zou zijn van ‘gebloemde’ of ‘geblomde’. Dit is niet juist: het gaat om een bepaalde soort kant dat de naam ‘blonde’ draagt. In het metalen overgangsgedeelte van het ijzer naar de boeken komen kleine gaatjes voor. Daarin wordt aan de beide zijden van het ijzer een gouden sierspeld gestoken. Dergelijke spelden zijn aan hun bovenzijde voorzien van een parel. Een muts moet uiteraard, na enige tijd te zijn gedragen, worden gewassen. Een zogeheten mutsenwaster stijft daarna deze muts, strijkt haar en brengt vervolgens de plooien aan die aan de beide voorzijden van een muts zichtbaar zijn.

In dit alles is het haar van een klederdrachtdragende vrouw niet gekruld maar, strak met een scheiding in het midden, naar achteren gekamd. Voor zover er van lang haar – en daarom van een vlecht – sprake is, wordt die vlecht tot een zogeheten ‘toot’ samengespeld. Deze toot verdwijnt bij het dragen van het hoofdijzer onder de uitstekende achterzijde van de muts.

Wanneer een Scheveningse klederdrachtdragende vrouw op haar zondags is gekleed, draagt zij sieraden. Het gaat daarbij om een meerrijïg halssnoer van rode gitten of bloedkoralen. Verder sluit de vrouw haar zondagse doek met een gouden speld die het meest overeenkomt met de vorm van de boeken van haar hoofdijzer. Een dergelijke speld wordt ‘hartspeld’ genoemd. In geval van rouw worden de sieraden afgelegd en worden ook de sierspelden van het hoofdijzer vervangen door eenvoudige zwarte spelden.